‘Je bloost,’ zei hij.

‘Nee hoor.’

Hij schonk me een geamuseerd, ongelovig glimlachje vanaf de andere kant van de tafel. ‘Weet je het zeker?’

Ik overwoog het een paar tellen en gaf me gewonnen. ‘Ja, misschien bloos ik toch wel een beetje.’

Ik was jong genoeg om niet zo makkelijk leesbaar te willen zijn, zeker niet tijdens een ongemakkelijke stilte met iemand van bijna tweemaal mijn leeftijd, maar volwassen genoeg om een blos te verwelkomen die iets kenbaar maakte wat ik liever niet hardop zei. Ik keek hem aan.

‘Jij bloost ook,’ zei ik.

‘Dat weet ik.’

Dit was twee uur nadat we elkaar voor het eerst waren tegengekomen, in de pauze van een kamermuziekuitvoering in de kerk van Sainte U. op de Rive Droite. Het was een zondag begin november, niet echt guur, maar ook niet meer warm, gewoon een bewolkte herfstavond die vroeger dan verwacht invalt en daarmee een voorbode is van de lange wintermaanden. De meeste bezoekers zaten al, sommigen met handschoenen aan, anderen die hun jas aanhielden, maar ondanks de lage temperatuur heerste er een behaaglijke sfeer terwijl er nog mensen een plekje zochten in een van de kerkbanken, opgetogen over de muziek die gespeeld zou worden. Het was mijn eerste bezoek aan deze kerk en ik was helemaal achterin gaan zitten voor het geval dat het gebodene me tegenviel en ik er stilletjes tussenuit wilde knijpen.

Ik was benieuwd geweest naar wat misschien wel het laatste optreden van het Florian Kwartet zou worden. Het jongste lid was al achter in de zeventig. Ze speelden regelmatig in deze kerk, maar ik had ze nog nooit live gehoord, kende ze alleen van hun schaarse en niet langer verkrijgbare platen en een paar filmpjes op YouTube. Ze hadden voor de pauze een kwartet van Haydn gespeeld en zouden nu Beethovens cis-mineur gaan doen. In tegenstelling tot de andere bezoekers (er zaten zo’n veertig mensen in de kerk) was ik laat gearriveerd en had een kaartje gekocht bij een van de nonnen die aan een tafeltjebij de ingang zaten. Bijna alle anderen hadden hun toegangsbewijs per mail ontvangen, met het verzoek het te printen en niet te vouwen, zodat ze waren binnengekomen met grote vellen

papier. Een oud nonnetje met een gebogen rug had hun naam overgeschreven met een groene vulpen. Ze was minstens tachtig en deed dit waarschijnlijk al tijden, vermoedelijk met dezelfde pen en in hetzelfde beverige schoonschrift. De barcode op de vouchers getuigde van de moderne indruk die de kerk bij jonge parochianen wilde wekken, maar het nonnetje had de grootste moeite om de cijfertjes boven de code over te schrijven alvorens ze een stempel op het papier kon zetten. Niemand zei iets van de trage werkwijze, al waren er maar weinig wachtenden die tot een vertederde glimlach werden verlokt.

In de pauze stond ik in de rij voor de warme cider die hetzelfde nonnetje in plastic bekertjes schepte met een grote soeplepel die ze nauwelijks kon tillen. Iedereen gaf er meer voor dan de ene euro die als prijs stond vermeld op een papier boven het grote vat met cider. Ik was geen liefhebber van warme cider, maar de rest leek dat wel te zijn en toen ik aan de beurt was legde ik een briefje van vijf in de kom, waarvoor ze me uitgebreid dankte. Het was een scherpzinnige oude vrouw. Ze kon zien dat het mijn eerste keer in de kerk was en ze vroeg wat ik van de Haydn had gevonden. Ik zei dat ik genoten had.

Hij had voor me in die rij gestaan, en na mijn gesprekje met de non was hij op me toegestapt: ‘Waarom is zo’n jong iemand geïnteresseerd in het Florian Kwartet? Ze zijn stokoud.’ En om de vraag misschien wat minder onverhoeds te maken: ‘De twee-

de viool moet al in de tachtig zijn, en de anderen lijken me niet veel jonger.’

Hij was lang, slank, had een elegant voorkomen met golvend grijs haar dat de kraag van zijn blauwe blazer raakte.

‘Ik interesseer me voor de cellist, en toen ik het gerucht vernam dat ze later dit jaar op tournee gaan en daarna wellicht stoppen, leek dit een goede gelegenheid om ze in het echt te zien.’

‘Maar heeft iemand van uw leeftijd niet iets beters te doen?’

‘Iemand van mijn leeftijd?’ vroeg ik met gespeelde verontwaardiging.

Er hing even een ongemakkelijke stilte tussen ons en hij haalde zijn schouders op, kennelijk zijn manier om zich te verontschuldigen zonder iets te zeggen. Hij leek zich weer te zullen omdraaien en zich te begeven naar de ruimte bij de twee portalen, waar mensen stonden te roken en praten, en anderen hun benen strekten. ‘Het voelt altijd kouder in een kerk,’ zei hij, een opmerking ten afscheid, en hij deed een eerste stap naar

de deur.

Ik realiseerde me dat mijn toon misschien te scherp was geweest en vroeg: ‘U bent fan van het Florian?’

‘Niet echt, ik hou niet eens zo van kamermuziek. Maar ik ken ze goed omdat mijn vader dol was op klassieke muziek en vaak naar hun concerten hier ging. Dat doe ik nu ook, al geef ik eerlijk gezegd de voorkeur aan jazz. Ik doe het omdat ik hem als jongen vergezelde op zondagavond, en ik kom hier nog steeds om de paar weken om te luisteren, en misschien ook wel om te fantaseren dat ik weer even met mijn vader ben. Dat zal u als

een onzinnige reden in de oren klinken.’

Ik vroeg welk instrument zijn vader had bespeeld.

De piano.

‘Thuis speelde hij nooit. Maar als we in het weekend naar ons buitenhuis gingen, zat hij ’s avonds laat in de kamer die het verst van de mijne lag. Ik sliep op de bovenverdieping en hoorde dan de piano alsof die bespeeld werd door een insluiper die ophield zodra hij de planken boven hem hoorde kraken. Hij zei nooit iets over zijn spel, noch begon mijn moeder er ooit over, en ik leerde ’s ochtends te zeggen dat ik weer gedroomd had dat de piano uit zichzelf begon te spelen. Ik vermoed dat hij graag was verdergegaan als professioneel pianist, zoals hij waarschijnlijk ook wel heeft gehoopt dat ik een liefde voor klassieke muziek zou ontwikkelen. Hij was het type dat nooit zijn meningen en voorkeuren aan anderen opdringt, en met vreemden begon hij al helemaal nooit een gesprek. Heel anders dan zijn zoon, zoals u merkt.’ Hij grinnikte om zichzelf. ‘Hij was veel te tactvol om me te vragen op zondag mee te gaan naar deze concerten, en had zich er waarschijnlijk allang bij neergelegd dat hij alleen zou gaan. Maar mijn moeder wilde niet dat hij ’s avonds alleen de straat op ging, dus vroeg zij me hem te vergezellen. Uiteindelijk werd het een vast gebruik. Na het concert trakteerde hij me op gebak, ergens hier in de buurt, en toen ik wat ouder werd gingen we samen uit eten. Maar hij vertelde nooit over zijn tijd als pianist, en trouwens, ik had in die tijd wel andere dingen aan mijn hoofd. Op zondagavond lag er altijd nog huiswerk dat ik voor me uit had geschoven, dus na onze bezoeken aan deze concerten zat ik altijd tot in de kleine uurtjes werk te doen dat allang klaar had moeten zijn. Maar ik was blij met onze uren samen, blijer dan met de muziek, en u ziet: het vaste gebruik is gebleven. Wat praat ik veel, hè?’

‘Speelt u zelf ook?’ vroeg ik om hem te laten merken dat zijn gepraat me niet tegenstond.

‘Niet echt. Ik ben in het voetspoor van mijn vader getreden. Hij was advocaat, zoals zijn vader advocaat was geweest, dus werd ik het ook. Noch mijn vader noch ik hebben het willen worden, maar ja... het leven.’ Hij glimlachte, ietwat weemoedig. Het was de tweede keer dat ik hem zag glimlachen en aansluitend zijn schouders zag ophalen. Hij had een brede, ontwapenende en plotse glimlach die je overviel, maar de ironie die doorklonk in het woord leven wekte geen vrolijke indruk. ‘En welk instrument speel jíj?’ vroeg hij, het gesprek opeens naar mij verleggend. Het verraste me dat hij het gesprek ook niet wilde laten eindigen.

‘Piano,’ zei ik.

‘Uit roeping of als tijdverdrijf?’

‘Roeping, mag ik hopen.’

Hij leek dit even te overdenken.

‘Zet door, jongeman, geef niet op.’

Met die woorden legde hij een wijze, ietwat bevoogdende arm om mijn schouders. Ik weet niet waarom, maar ik reikte naar zijn hand en raakte die aan. Het gebeurde allemaal zo vloeiend en spontaan dat we beiden glimlachten, waardoor zijn hand, die hij anders wel zou hebben weggehaald, nog even bleef liggen. Hij keek me in de ogen en ik moest een aanvechting bedwingen om me tegen hem aan te drukken en mijn armen onder zijn blazer om zijn middel te slaan. Hij moest iets vergelijkbaars hebben gevoeld, want in de ongemakkelijke stilte die volgde bleef hij me aankijken en ik hem, zonder gêne, tot me de vrees bekroop dat ik het misschien toch verkeerd had aangevoeld en ik de neiging kreeg om weg te kijken. Maar het voelde goed dat hij zijn blik op me gevestigd hield. Ik voelde me er knap en aantrekkelijk door, een warme en strelende gewaarwording die ik wilde behouden, niet wilde verbreken, behalve dan door me alsnog tegen hem aan te drukken. Ik genoot van de belofte in zijn ogen van iets volmaakt onschuldigs en goeds.

Maar toen, misschien om onze wederzijdse glimlach te rechtvaardigen, zei hij: ‘Jij bent hier voor de muziek en ik voor mijn vader. Hij is al zo’n dertig jaar dood, maar er verandert hier nooit iets.’ Een lachje. ‘Dezelfde cider, dezelfde geuren, dezelfde oude nonnen, dezelfde drukkende novemberavonden. Hou jij van november?’

‘Soms, maar niet altijd.’

‘Ik ook niet. En ook niet van kerken, al vind ik het toch wel aangenaam om hier te zijn op avonden als deze... dus tja, me voici, hier ben ik.’ Ik voelde dat hij eigenlijk niets meer te zeggen had en het gesprek tegen de klippen op probeerde te rekken. Hij zweeg. Weer die warme, aanstekelijke glimlach met een mengeling van wijsheid en ironie, plus een zweem van weemoed om me erop te attenderen dat er niets luchthartigs was aan deze vriendelijke en misschien wel diep ongelukkige man. Toen we het kwartet weer naar hun stoelen op het podium zagen schuifelen en het tijd was voor Beethoven, vroeg hij waar ik zat. Ik begreep niet waarom hij dat vroeg, maar wees naar de hoek van een van de laatste kerkbanken, waar mijn rugzak en jack lagen.

‘Verstandige keuze,’ zei hij, ‘maar glip niet voortijdig weg.’ Het klonk alsof hij me aanraadde het Florian een tweede kans te geven, maar ik had Haydn prachtig gevonden en was vast van plan om tot het eind te blijven. Toch vroeg ik voor de zekerheid: ‘Wilt u dat ik op u wacht?’ en ik vreesde meteen dat mijn toon verkeerd kon worden uitgelegd – alsof ik een oudere heer aanbood de deur open te houden als hij met zijn rollator naar buiten wilde. Dus nam ik de twijfel weg met: ‘Ik wacht buiten op je.’

Hij zei niets meer, knikte slechts. Maar het was geen bevestigend knikje, eerder de peinzende reactie van iemand die niet kan geloven wat hij zojuist heeft gehoord.

‘Ja, goed, wacht maar op me,’ zei hij ten slotte. ‘Ik ben Michel, trouwens.’ Ik noemde mijn naam en we gaven elkaar een hand.

Ik ging ervan uit dat hij na het eerste deel van het strijkkwartet zou vertrekken, maar een uur later zag ik hem inderdaad op de trappen van de kerk, hoewel ik de indruk kreeg dat hij onze afspraak was vergeten. Hij stond te praten met een stel en ze leken er met zijn drieën op uit te zullen gaan. Maar zodra hij me zag, kapte hij het gesprek af en drukte hun ten afscheid de hand. Hij bood zijn excuses aan omdat hij me niet had voorgesteld, en om daar geen reactie op te hoeven geven deed ik alsof ik bezig was mijn sjaal om te doen. Ik betrapte me erop dat ik verbazing wilde veinzen omdat hij de afspraak niet was vergeten. Of wilde hij alleen maar wat laatste woorden wisselen alvorens we ieder onze eigen weg gingen?

Nee, hij stelde voor een hapje te gaan eten in een bistro aan de andere kant van de brug. Ik zei dat ik verderop mijn vouwfiets op slot had gezet. Had hij er bezwaar tegen als ik die meenam? Natuurlijk niet. Het liep tegen tienen op een zondagavond en de straten waren stil. ‘En ik trakteer,’ zei hij, als wilde hij bij voorbaat duidelijk maken dat geld geen rol speelde. Ik ging akkoord. Het was een aangename wandeling, vooral omdat het tijdens het concert had geregend en de keien onder de straatlantaarns glinsterden. ‘Het lijkt wel een foto van Brassaï,’ zei ik. ‘Inderdaad,’ zei hij. ‘En wat doe je nog meer naast pianospelen?’

Het viel me op dat hij veel zinnen begon met en, misschien om de overgang naar andere onderwerpen te versoepelen, met name als hij de conversatie persoonlijker probeerde te maken. Ik zei dat ik lesgaf aan het conservatorium. Beviel me dat? Ja,

enorm. Waarop ik vertelde dat ik eenmaal per week gratis en voor de lol optrad in de pianobar van een luxe hotel. Hij informeerde niet naar de naam daarvan. Tactvol, dacht ik, of zijn manier om duidelijk te maken dat hij niet opdringerig van aard was.

Op de brug stonden twee Braziliaanse straatartiesten, een man en een vrouw, te zingen voor een grote groep omstanders. De man had een hoge stem, die van de vrouw was eerder rauw, en samen klonk dat prachtig. Ik bleef even staan met mijn fiets aan de hand, en hij legde zijn hand op het andere handvat, alsof hij wilde helpen de fi ets rechtop te houden. Toen het jonge duo hun lied had beëindigd, begon iedereen op de brug te juichen en te klappen, en er werd meteen een volgend duet ingezet. Ik bleef nog even staan om daar het begin van te horen, waarna we doorliepen. Eenmaal aan de overkant hoorden we een nieuwe ovatie opklinken. Hij zag hoe ik me omkeerde en keek toen zelf ook naar de zanger die zijn gitaar neerlegde terwijl zijn vriendin rondging met een pet. Kende ik dat laatste lied, vroeg hij. Ja, zei ik. Hij ook? ‘Weet niet, denk het wel.’ Maar ik kon aan hem zien dat hij geen idee had, zoals hij ook ietwat onwennig had staan luisteren. Braziliaanse muziek op een stadsbrug, geen passie van hem.

‘Het gaat over een man die thuiskomt van zijn werk en dan zijn geliefde vraagt zich mooi aan te kleden zodat ze buiten kunnen gaan dansen. Ze wekken zo’n vreugde in hun straat dat de hele stad uiteindelijk bruist van vrolijkheid.’

‘Mooi lied,’ zei hij. Ik wilde dat hij zich wat ontspande en pakte hem even bij een schouder.

Maar hij had zijn bistro nog niet betreden of hij was helemaal in zijn element. Zoals hij had gezegd was het inderdaad een piepklein tentje, maar het oogde behoorlijk exclusief, wat ik trouwens had kunnen weten: zijn donkerblauwe Forestière-blazer, bonte zijden sjaal en schoenen van Corthay logen er niet om. Het hapje zou een driegangenmenu worden. Hij bestelde een single malt. Caol Ila was zijn favoriet, zei hij. Hij vroeg of ik er ook een wilde en ik zei ja, maar had geen idee wat een single malt was. Hij doorzag dat, merkte ik, zoals hij dat wellicht al vaker had doorzien. Zijn manier van doen beviel me, maar maakte me ook een tikje onzeker. Hij legde me de kaart van de bistro uit. ‘Geen rijke keuze aan vlees,’ zei hij, ‘maar hun wijnkelder is voortreffelijk en ik vind ze goed met groenten. Vis is hier ook prima.’ Hij sloeg zijn menukaart weer net zo snel dicht als hij die had geopend. ‘Ik bestel toch altijd hetzelfde, dus ik hoef eigenlijk niet te kijken.’ Hij gaf me de tijd om mijn keuze te maken, maar dat lukte me niet en ik gaf toe aan een impuls die mezelf verraste. ‘Bestel jij maar voor me,’ zei ik. Hij leek dat net zo’n leuk idee te vinden als ik. ‘Makkelijk, dan bestel ik mijn vaste keuze ook voor jou.’ Hij wenkte de ober en gaf de bestelling op. Na een nipje van zijn whisky zei hij dat zijn vader, die hem met dit restaurant vertrouwd had gemaakt, ook altijd hetzelfde had besteld. ‘Hij was diabeet,’ zei hij, ‘dus leerde ik de dingen te mijden die diabetici niet mogen eten. Geen suiker, geen rijst, pasta, brood, en zo min mogelijk boter.’ Terwijl hij het vertelde beboterde hij een snee pain Poilâne en strooide er wat zout op, waarna hij het grinnikend naar zijn mond bracht. ‘Ik volg mijn vader niet in alles, al is zijn schaduw haast onontkoombaar. Ach, ik ben een vat vol tegenstrijdigheden.’

We zwegen even, waarna hij verderging over de leefregels van zijn vader, maar ik was benieuwder naar die tegenstrijdigheden, die meer zouden zeggen over hem en hoe hij zichzelf zag. Hij leek te aarzelen, doorgaan over voeding en diëten of zichzelf blootgeven. Er was een gespannen moment, alsof we beiden aanvoelden dat er een nietszeggend tafelgesprek dreigde. Om die spanning te verbreken begon ik zelf over mijn twee oudooms, die ik nooit had gezien maar die beiden een grote reputatie als bakker hadden genoten, drie bakkerijen in Milaan hadden gedreven en in de oorlog als socialisten waren opgepakt. ‘Ze eindigden allebei in Birkenau. Toen ik jong was had mijn moeder het vaak over ze. Net als je vader hebben ze lange schaduwen geworpen op mijn moeders familie.’

‘Wat voor schaduwen?’ vroeg hij.

‘Ze bakt heerlijke taarten.’

Hij lachte hartelijk en ik was blij dat hij de grap begreep.

‘Maar,’ zei ik, ‘ik weet ook dat sommige schaduwen nooit ver-

vagen.’

‘Dat is waar. Die van mijn vader heeft me nooit verlaten. Hij stierf twee jaar nadat ik zijn advocatenpraktijk had overgenomen. Ik was jouw leeftijd toen.’

En weer verviel hij in gepeins, alsof zijn eigen woorden een brug hadden geslagen naar iets wat hem al lange tijd dwarszat.

‘En je weet dat ik bijna tweemaal zo oud ben als jij.’

Dat was het moment waarop ik bloosde. Een confronterend en ongemakkelijk moment, deels omdat hij iets aanroerde wat nog lang niet aan de orde was, waar we nog behoedzaam omheen draaiden, een punt op een i die nog niet eens geschreven was. Iets wat voorlopig nog buiten beeld hoorde te blijven, als het al in beeld zou kunnen komen. Ik wist niet wat ik erop moest zeggen, zocht naar de juiste woorden, en mijn blos moet een teken zijn geweest van dat ongemak. Misschien was het opzet, zijn manier om me te dwingen iets over ons leeftijdsverschil te zeggen waardoor zijn eigen ongerustheid zou worden weggenomen. Ik probeerde de stilte uit alle macht te verbreken, kon niets bedenken en ontweek het ten slotte maar met: ‘Je ziet er veel jonger uit.’

‘Dat is niet waar ik op doelde,’ zei hij meteen.

‘Ik weet waar je op doelde,’ zei ik. En om geen onduidelijkheid te wekken: ‘Ik zou hier niet tegenover je zitten als ik dat niet wist.’ Bloosde ik weer? Ik hoopte van niet. Het stille ongemak dat boven ons bleef hangen leek hem niet te deren en hij knikte weer, datzelfde peinzende en ietwat weemoedige knikje, gevolgd door een subtiel hoofdschudden, niet ter ontkenning van iets maar omdat hij het niet leek te kunnen geloven, een sprakeloze verwondering om de wendingen die het leven soms neemt. ‘Ik wilde je niet verlegen maken, hoor.’

Hij verontschuldigde zich.

Of misschien wel niet.

Nu was het mijn beurt om het hoofd te schudden.

‘Verlegen is wel het laatste wat je me maakt,’ zei ik. En: ‘Nu ben jij het die bloost.’

Hij tuitte zijn lippen. Ik reikte over de tafel naar zijn hand en liet er de mijne ter geruststelling op rusten, een gebaar van goede wil. Hij trok de zijne niet terug.

‘Jij gelooft zeker niet in het lot, hè?’ vroeg hij.

‘Weet ik eigenlijk niet,’ zei ik. ‘Nooit zo over nagedacht.’

Het gesprek was niet meer zo vrijblijvend als ik had gewild. Ik voelde waar hij op aanstuurde en hoewel zijn openhartigheid me niet hinderde, hoefde het van mij ook niet zo breed uitgediept. Misschien maakte hij deel uit van een generatie die lastige onderwerpen niet wenste te schuwen, waar de mijne geen woorden wilde vuilmaken aan wat duidelijk genoeg was van zichzelf. Ik was gewend aan een directe benadering die geen woorden nodig heeft, hooguit een blik of een eenregelig appje. Indirect en omslachtig gepraat bracht me uit balans.

‘Als het niet het lot was dat jou naar het concert deed gaan, wat was het dan?’

Hij overdacht mijn vraag met neergeslagen ogen en begon met zijn nog ongebruikte vork voren te trekken in het tafelkleed, evenwijdige lijntjes rondom zijn broodbordje. Hij raakte zo in zijn gedachten verdiept dat mijn vraag er volgens mij niet meer toe deed, wat me des te beter uitkwam omdat ik ondertussen genoeg had van onze schroomvallige manier van praten. Maar toen keek hij naar me op en zei dat het antwoord op mijn

vraag niet simpeler kon zijn.

‘Nou, wat was het dan?’ vroeg ik in de veronderstelling dat er weer iets over zijn vader zou volgen.

‘Jij.’

‘Ik?’

Hij knikte. ‘Ja, jij.’

‘Maar je wist toch helemaal niet dat je me zou tegenkomen?’

‘Een onbeduidend detail. Het lot werkt vooruit, terug en met zijwaartse sprongen, en het bekommert zich niet om hoe wij zijn doelen bezien met onze armzalige voors en na’s.’

Ik liet dit bezinken. ‘Echt te diepzinnig voor me.’ En weer trad er een stilte in.

‘Mijn vader geloofde stellig in het lot,’ zei hij.

Wat sympathiek, dacht ik. Hij voelde aan dat het onderwerp me niet lag en bracht het gesprek terug op zijn vader. Maar ik luisterde niet echt, en ook dat had hij in de gaten. Hij hield op met praten, maar had kennelijk nog steeds het verlangen om dat wat onuitgesproken bleef gezegd te krijgen, getuige de onderzoekende blik die hij nog even op me gevestigd hield voor hij van me wegkeek. Daarom verraste hij me met wat hij zei toen we opstonden om te vertrekken. ‘Zie ik je nog eens? Lijkt me leuk.’

De vraag ontgoochelde me en ik wist niets beters te mompelen dan: ‘Ja, natuurlijk.’ Ik reageerde zo snel dat het volstrekt ongemeend moest hebben geklonken. Ik had iets veel doortastenders van hem verwacht dan een tot ziens.

‘Maar alleen als je wilt, hoor,’ voegde hij eraan toe.

Ik keek hem in de ogen. ‘Je weet dat ik dat wil.’ En het was niet de single malt of de wijn die sprak.

Hij schonk me zijn onderhand welbekende knikje. Hij was niet overtuigd. Maar ook niet ontmoedigd.

‘Dezelfde kerk dan maar, volgende week zondag om dezelfde tijd.’

Ik deed geen moeite er iets aan toe te voegen. Vanavond zit er dus niet in, dacht ik.

We verlieten de bistro als allerlaatsten. De obers konden zo te zien niet wachten tot we ophoepelden, zodat ze konden afsluiten.

Buiten sloegen we als vanzelf onze armen om elkaar heen. Maar het was een te druistige, onbeholpen omhelzing, eerder een uiting van terughoudendheid dan de intieme knuffel waarnaar ik eerder op de avond had verlangd in de pauze van het concert. Hij loste zijn greep alweer. Ik kreeg opnieuw de aanvechting om me tegen hem aan te drukken, en hoewel ik me inhield, zoende ik hem. Niet op zijn wangen maar, onopzettelijk, in zijn hals. Dat kwam wel degelijk door de single malt en de wijn. Ik wist zeker dat hij het voelde, maar daar trok ik me niets van aan, om het volgende moment toch mijn twijfels te krijgen. Dat was wel een beetje gênant, dacht ik. En het werd er nog gênanter op toen ik de drie obers door het raam van de bistro naar ons zag kijken. Zij kenden hem goed en hadden iets

als dit vast vaker gezien.

Hij liep mee naar mijn fiets, keek toe hoe ik die van het slot haalde, maakte wat opmerkingen over het handige formaat en zei dat hij er ook zo een wilde kopen. En toen, zonder hapering, legde hij een hand op mijn wang en hield die daar, een gebaar dat me compleet van mijn stuk bracht en me liet beven van emotie. Ik was overrompeld. Wilde een kus. Kus me, alsjeblieft, al was het maar om me uit mijn zichtbare verdwazing te halen. Ik zag hem zich omdraaien en weglopen.

Na zoiets loop je niet zomaar weg, dacht ik, en dan ook nog zo onaangedaan. Ik wilde zijn beide handen op mijn gezicht, dat hij mijn gezicht vasthield en me de jongste liet zijn, om me vervolgens diep te kussen. Dit voelde alsof we zojuist nog in bed hadden gelegen en hij nu zonder een woord verdween.

Dat gevoel zou me de hele nacht uit mijn slaap blijven halen. Het was nog vroeg op de avond en we hadden makkelijk nog iets kunnen gaan drinken. Ik kon hem achterna hollen en hem iets te drinken aanbieden in een café, om nog even samen te zijn, niet dit abrupte afscheid. Maar iets hield me tegen en een innerlijke stem zei me dat ik nu ook weer niet ontevreden hoefde te zijn over deze avond, aan het einde van een lange saaie zondag die niets van dit alles had beloofd. Misschien vond hij het beter om te stoppen als alles nog perfect was, in plaats van voort te razen tot het uit de bocht vloog.

Ik liep met mijn fiets aan de hand door de prachtige novemberavond: de glimmende keien in de lege straten, het Brassaï-effect waarover we hadden gesproken, hoe ik hem onhandig onder zijn oren had gekust, die kwestie over ons leeftijdsverschil, het buitelde allemaal door mijn hoofd en maakte me gelukzalig.

Misschien begreep hij de dingen beter dan ik ooit zou kunnen. En zo ja, dan begreep hij iets wat ik me zelf nog maar nauwelijks realiseerde: dat ik misschien nog niet klaar was voor meer, net zomin als hij, niet vanavond al, en ook niet morgenavond, of volgende week, waarop de gedachte opkwam dat hij de volgende zondag misschien wel niet naar het concert zou komen, niet omdat hij niet wilde maar omdat hij aanvoelde dat ik op het laatste moment een uitvlucht zou bedenken om niet te gaan.